Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AR4454

Datum uitspraak2004-10-11
Datum gepubliceerd2004-10-25
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers04/3884 WUV-VV
Statusgepubliceerd


Indicatie

Geen machtiging overlegd. Niet-ontvankelijkverklaring.


Uitspraak

04/3884 WUV-VV U I T S P R A A K van DE VOORZIENINGENRECHTER VAN DE CENTRALE RAAD VAN BEROEP inzake het verzoek om met toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 17 van de Beroepswet in het geding tussen: [verzoeker], wonende te Bandung (Indonesië), verzoeker, beweerdelijk namens [betrokkene], wonende te Bandung (Indonesië) en de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster. I. INLEIDING Bij brief van 9 juni 2004 heeft verzoeker beweerdelijk namens [betrokkene] (hierna: betrokkene) zich tot de voorzieningenrechter van de Raad gewend met een verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onder andere ertoe strekkend, verweerder op te dragen alsnog een beslissing te nemen op een door betrokkene gedaan herzieningsverzoek van 30 juni 2003. Bij schrijven van 12 juli 2004 is de beslissing op bovengenoemd herzieningsverzoek, door tussenkomst van de Ambassade van het Koninkrijk der Nederlanden te Jakarta (Indonesië) aan betrokkene bekend gemaakt. II. MOTIVERING Ingevolge artikel 17 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:24, tweede lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de Raad van een gemachtigde een schriftelijke machtiging verlangen. Bij schrijven van 23 juli 2004 is verzoeker verzocht binnen vier weken een schriftelijke machtiging over te leggen. Verzoeker heeft deze termijn ongebruikt laten voorbijgaan. Bij aangetekend schrijven van 23 augustus 2004 is verzoeker nogmaals de gelegenheid geboden de machtiging in te dienen. Daarbij is een termijn van vier weken gesteld en is hij erop gewezen dat overschrijding van die termijn tot niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek om een voorlopige voorziening kan leiden. Verzoeker heeft ook deze termijn ongebruikt laten voorbijgaan. Gelet op het voorgaande komt de voorzieningenrechter van de Raad tot het oordeel dat verzoeker moet worden geacht voor zichzelf een verzoek om een voorlopige voorziening te hebben ingesteld. Omdat verzoeker niet iemand is wiens belang rechtstreeks bij het besluit van verweerder van 12 juli 2004 is betrokken, komt hem niet de bevoegdheid toe, te verzoeken om toepassing van artikel 8:81 van de Awb. Bovenstaande leidt ertoe dat het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen niet-ontvankelijk moet worden verklaard onder toepassing 8:83, derde lid, van de Awb. Er zijn geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb. III. BESLISSING De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep, Verklaart het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemen wet bestuursrecht niet-ontvankelijk. Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp in tegenwoordigheid van E. Blijleven-de Vries als griffier en uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2004. (get.) C.G. Kasdorp. (get.) E. Blijleven-de Vries.